Is korting op onroerende voorheffing mogelijk voor elke grondige renovatie ?

Vlaams minister van Energie Bart Tommelein kondigde aan dat een woning die grondig gerenoveerd wordt en hierbij een E-peil van E90 haalt 50% korting krijgt op de onroerende voorheffing. Wie E60 haalt krijgt zelfs 100% korting. Dit voordeel is geldig gedurende 5 jaar.

1

Deze maatregel moet de bevolking aanzetten grondiger te renoveren en hierbij meer aandacht te besteden aan de energiezuinigheid van de woning. Wat niet alle verbouwers weten is dat deze korting niet kan toegepast worden op elke (grondige) renovatie. Het gaat enkel om renovatieprojecten met een bouwaanvraag ingediend vanaf 1 oktober 2016 die vallen onder de categorie ‘Ingrijpende Energetische Renovatie’. Dit is een vorm van verbouwen die vastgelegd werd in de energieprestatieregelgeving en twee voorwaarden kent:
– De technische installaties worden volledig vervangen;
– Minstens 75% van de bestaande en nieuwe buitenschil worden (na)geïsoleerd.

In de praktijk betekent dit dat bij deze vorm van verbouwen de verwarming wordt vernieuwd en een ventilatiesysteem wordt voorzien. Daarnaast moet de woning goed geïsoleerd worden om het warmteverlies voldoende te beperken.

WIE ZIJN BESTAANDE WONING WIL VERBETEREN VALT MOGELIJK UIT DE BOOT

Nu kan een toekomstig verbouwer denken dat dit haalbaar is voor zijn woning en bereid zijn om te streven naar een laag E-peil om aanspraak te kunnen maken op een korting op de onroerende voorheffing. Om recht te hebben op de korting moet het bekomen E-peil bewezen worden aan de hand van een EPB-aangifte. Een EPB-aangifte kan en mag echter enkel opgesteld worden indien voor de verbouwing de verplichting bestaat een architect aan te stellen. Gaat het dus om een woning zonder volumewijziging of zonder werken die de stabiliteit kunnen beïnvloeden dan is de kans groot dat er geen architect aan te pas dient te komen en geen bouwaanvraag moet ingediend worden. In dit geval mag een EPB-verslaggever geen bewijs van het E-peil afleveren en heeft de verbouwer ook geen recht op een korting op de onroerende voorheffing. Wie dus zijn bestaande woning wil na-isoleren en de verwarmings-/ventilatietechnieken wil verbeteren met het idee een korting te krijgen valt mogelijk uit de boot.

Hoeveel punten win ik met een luchtdichtheidstest ?

De EPB-eisen die vandaag gesteld worden aan nieuwbouwwoningen zijn niet meer even eenvoudig haalbaar als voorheen. Het lage E-peil dat wordt opgelegd vraagt van de meeste woningen meer dan goede isolatie en een efficiënt verwarmings- en ventilatiesysteem om te voldoen. Het E-peil kan sterk omlaag gehaald worden door het implementeren van hernieuwbare energie, zoals een fotovoltaïsche installatie of een zonneboiler, maar er bestaat ook een andere manier.

bd1

Door tijdens de bouw van de woning rekening te houden met een luchtdichte uitvoering zullen de ‘ventilatieverliezen’ beperkt blijven. De ventilatieverliezen worden niet enkel bepaald door het ventilatiesysteem, maar ook door de verliezen van lucht via lekken in de gebouwschil. Deze lekken zijn ongecontroleerde en onbedoelde luchtverliezen. Het komt er dus op aan deze ongewenste luchtverliezen zoveel mogelijk te beperken en enkel bewust te ventileren waar nodig.

Naast het beperken van de energieverliezen door luchtdicht te bouwen is luchtdichtheid ook van belang bij gebruik van een ventilatiesysteem van het type D. Dit systeem met mechanische toe- en afvoer van lucht is bij voorkeur goed uitgebalanceerd. Dit betekent dat er evenveel lucht wordt toegevoerd in de woning, als dat er wordt afgevoerd. Veel luchtverlies door de gebouwschil zorgt ervoor dat meer lucht binnenkomt of ontsnapt dan nodig. Hierdoor zal de warmterecuperatie, die meestal voorzien is op deze systemen, niet optimaal werken.

Om te weten te komen hoe lek de woning is kan een luchtdichtheidstest uitgevoerd worden. Bij deze test wordt door middel van een ventilator de woning in over- en onderdruk geplaatst en wordt aan de hand van een manometer het verlies gemeten. De gemeten luchtstroom (V50) wordt uitgedrukt in m³/h. De waarde die gebruikt wordt in de EPB-berekening is het lekdebiet (v50) uitgedrukt in m³/h.m² . Deze wordt bekomen door de gemeten luchtstroom te delen door de verliesoppervlakte van de woning. Heeft de woning bijvoorbeeld een verliesoppervlakte van 650 m² en is het resultaat van de test 3000 m³/h, dan moet de waarde 4,6 m³/h.m² gebruikt worden in de EPB-berekening. Wordt er geen test uitgevoerd dan wordt standaard de waarde 12 m³/h.m² gebruikt in de berekening van de verwarmingsbehoefte.

A-meting of B-meting en conformiteitsverklaring

Een A-meting wordt uitgevoerd wanneer het gebouw volledig is afgewerkt. Alle doorboringen van de gebouwschil voor bijvoorbeeld de rookafvoer, de dampkap, de fotovoltaïsche installatie, enz. zijn uitgevoerd voordat de test wordt gedaan.
Om de resultaten van deze test te mogen gebruiken in een EPB-aangifte moet bijkomend een conformiteitsverklaring afgeleverd worden. De luchtdichtheidstester zal dit attest op vraag van de opdrachtgever laten opstellen door een organisatie zoals het BCCA. Enkel erkende testers mogen een luchtdichtheidstest uitvoeren voor gebruik in de EPB-aangifte.

Een B-meting kan worden uitgevoerd als tussentijdse test tijdens de werkzaamheden om zo na te gaan of het gebouw voldoende luchtdicht is uitgevoerd voordat de verdere afwerking wordt aangevangen. Tijdens deze test kunnen lekken vroegtijdig worden opgespoord en verholpen. Dit type test kan bijvoorbeeld worden uitgevoerd nadat een luchtdichtheidstape of -slab werd aangebracht rond de ramen en voordat het pleisterwerk wordt uitgevoerd.

Een kleine investering met een groot resultaat

Om na het vastleggen van de opbouw van de gebouwschil, de manier van verwarmen(/koelen), alsook het ventilatiesysteem nog een daling van het E-peil te realiseren bieden de fotovoltaïsche installatie of de zonneboiler een goede oplossing. Een gemiddelde installatie vraagt echter een relatief hoge investering die niet altijd te verantwoorden is wanneer het energieverbruik / E-peil reeds laag is. Daarnaast heeft overdimensioneren van deze installaties om een extra daling van het E-peil te bekomen ook weinig nut. De energie die opgewekt wordt, maar niet verbruikt wordt, is verloren energie. Als er gezocht wordt naar de goedkoopste manier om het E-peil te doen zakken, dan is het uitvoeren van een luchtdichtheidstest de beste oplossing. De kost van een luchtdichtheidstest ligt 10 tot 25 keer lager dan een gemiddelde installatie van bovenvermelde technieken, maar levert in de meeste gevallen wel een gelijkaardige daling van het E-peil op.

bd2

De daling van het E-peil is in grote mate afhankelijk van de manier van verwarmen

De invloed van het lekdebiet op het E-peil is afhankelijk van de energiewinst die dit oplevert. Hoe minder warme lucht verloren gaat, hoe minder je zal moeten verwarmen. Daarom speelt ook de manier van verwarmen een rol. Wordt de warmte met een energiezuinig toestel opgewekt, dan zal de verbeterde luchtdichtheid  voor een lagere energiebesparing zorgen dan bij gebruik van een warmteopwekker die veel energie verbruikt.  Gebruik je bijvoorbeeld een verwarmingssysteem op basis van elektrische weerstanden, dan zal de luchtdichtheid het E-peil meer beïnvloeden dan bij gebruik van een gasketel.

Neem als voorbeeld een verwarmingssysteem dat louter gebruik maakt van elektrische weerstanden. Bij gebruik van elektrische verwarming wordt voor de berekening van het primair energieverbruik het eindenergieverbruik voor verwarming vermenigvuldigd met een factor 2,5. Hierdoor ligt het E-peil bij gebruik van verwarming op basis van elektrische weerstanden ook drastisch hoger dan bij bijvoorbeeld verwarming op basis van fossiele brandstoffen. Als een verbeterde waarde voor de luchtdichtheid wordt ingerekend, dan dalen de ingerekende ventilatieverliezen waardoor minder warmte moet opgewekt worden. Hierdoor zal het eindenergieverbruik voor verwarming dalen. Bij elektrische verwarming zal de invloed van het beperken van de warmtevraag, door bijvoorbeeld een verbeterde luchtdichtheid, dan ook veel groter zijn dan bij warmteopwekkers op basis van fossiele brandstoffen.

Als rekenvoorbeeld nemen we een woning waarvan de netto-energiebehoefte voor verwarming 45 kWh/m² bedraagt zonder luchtdichtheidstest. Na een test met als resultaat 1 m³/hm² wordt dit 23 kWh/m². Dit is onafhankelijk van het gekozen type van warmteopwekker. De invloed op het E-peil is wel zeer afhankelijk van het type verwarming:

  Luchtdichtheid =
standaardwaarde
  Luchtdichtheid =
1 m³/hm²
 
  Primair energie-verbruik verwarming E-peil   Primair energie-verbruik verwarming E-peil   Besparing Daling
E-peil
Elektrische weerstand 66.376 MJ E97   33.755 MJ E62   32.621 MJ -35
Gasketel 31.053 MJ E62   15.792 MJ E44   15.261 MJ -18

De keuze van het type warmteopwekker is dus van grote invloed op de bereikte daling van het E-peil na het uitvoeren van een luchtdichtheidstest.

Daalt het E-peil altijd na het uitvoeren van een luchtdichtheidstest ?

Wanneer er geen test wordt uitgevoerd, dan worden in de berekening van het energieverbruik volgende waardes toegepast:

  • v50,heat = 12 m³/hm²
  • v50,cool = 0 m³/hm²
  • v50,overh = 0 m³/hm²

Een lekdebiet (v50) van 12 m³/hm² (voor verwarming) is zeer hoog en komt eerder uitzonderlijk voor bij het meten. Voor de koelberekening en de evaluatie van het risico op oververhitting wordt een waarde 0 aangenomen.

Wanneer er wel een luchtdichtheidstest wordt uitgevoerd dan wordt het lekdebiet in de berekening vervangen door de gemeten waarde:

v50,heat = v50,cool = v50,overh

Bij een slecht meetresultaat, bv. 12 m³/hm², betekent dit wel dat de berekening van het energieverbruik hoger kan uitvallen dan bij gebruik van de standaardwaardes.
Zeer hoge meetwaardes komen echter uiterst weinig voor bij nieuwbouwwoningen. In de grote meerderheid van de gevallen zal het uitvoeren van een test zorgen voor een sterke daling van het E-peil.

Mag een gemeente strengere EPB-eisen opleggen ?

De energieregelgeving die van toepassing is bij nieuwbouw en renovatie is gewestelijke materie. Kan een gemeente dan toch strengere eisen opleggen dan wat vastgelegd is door de Vlaamse overheid, zoals bijvoorbeeld een lager E-peil of K-peil ?

Een voorbeeld hiervan zijn de verstrengde eisen die de gemeente Hoeilaart oplegt aan de bouwers in de wijken Leen 2 en Paloker. Wie bijvoorbeeld in 2009 een bouwaanvraag indiende om te bouwen in de wijk Leen 2 moet wettelijk voldoen aan E-peil E100. De gemeente verleent de bouwvergunning echter onder de voorwaarde dat het energiepeil van de woning niet hoger mag zijn dan E60. De bouwheer moet een kopij van het energieprestatiecertificaat overhandigen aan de gemeente als bewijs.
Wie in 2014 een bouwaanvraag indiende om te bouwen in de wijk Paloker moet wettelijk een E-peil van maximum E60 halen. De gemeente legt hier een strengere eis van E40 op. Niet via de bouwvergunning, maar via de voorwaarden voor de toekenning en verkoop van de gronden. Wie niet voldoet wordt beboet met een bedrag van 25.000 euro.

Dit is een positief initiatief, omdat dit leidt tot eco-vriendelijke wijken en een verlaagde CO2-uitstoot. Maar is dit even vriendelijk voor de jonge gezinnen die in deze wijken bouwen ? De vraag moet worden gesteld naar de economische en financiële haalbaarheid van verstrengde eisen op een moment waarop de markt daarvoor misschien niet klaar is. Een verstrenging van de geldende E-peileis brengt extra kosten met zich mee en vraagt een groter budget wat de bouwheer mogelijk niet voorzien heeft.
Een bijkomende bedenking: heeft een gemeentebestuur wel voldoende technische kennis om de verstrengde EPB-eisen te bepalen ? De Vlaamse overheid voorziet een geleidelijke verstrenging van de eisen die starten bij E100 in 2006 en eindigen bij E30 in 2021. Aan het vastleggen van het verloop van deze verstrenging is veel studiewerk vooraf gegaan.

Vanuit juridisch oogpunt is het momenteel echter niet mogelijk om via een stedenbouwkundige verordening strengere EPB-eisen op te leggen.

Daarom is in artikel 11.1.1, §1/1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, ingevoegd bij decreet van 18 november 2010, voorzien dat de gemeenten voor “nieuwe wijken” strengere eisen kunnen vastleggen met betrekking tot het E-peil en K-peil, maar dit onder bepaalde voorwaarden. Let wel, in dat geval is de gemeente ook verplicht om conform artikel 13.6.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 deze strengere eisen te handhaven via de decretaal bepaalde administratieve geldboetes. Dit betekent dat de gemeente het resultaat van de EPB-aangifte moet opvolgen en de boetes ook effectief moet innen indien het om een overtreding gaat. De gemeente moet dit doen binnen de 12 maanden na de EPB-aangifte.

De voorwaarden bij deze regelgeving werden ondertussen door de Vlaamse Regering ook effectief nader ingevuld. Voor dossiers waarvan de melding wordt gedaan of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2016 kunnen de gemeenten conform artikel 9.1.11/1 en artikel 9.1.32, §2 van het Energiebesluit van 19 november 2010 onder bepaalde voorwaarden strengere eisen vaststellen.

MEER LEZEN: energiebesluit strengere eisen vanaf 2016

“Art. 9.1.11/1. Als een gemeente met toepassing van artikel 11.1.1, §1/1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 voor nieuwe wijken strengere eisen wil vastleggen, moet ze in afwijking van artikel 9.1.11, §1 voor een nieuwe EPW-eenheid via besluit van de gemeenteraad een van volgende eisenpakketten opleggen:

1° voor dossiers waarvan de melding wordt gedaan of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2016 :
a) pakket 1 :
1) het E-peil van elke nieuwe EPW-eenheid bedraagt niet meer dan E30;
b) pakket 2 :
1) het E-peil van elke nieuwe EPW-eenheid bedraagt niet meer dan E20;
2) voor het gebouw als geheel bedraagt het peil van de globale warmte-isolatie niet meer dan K25;
2° voor dossiers waarvan de melding wordt gedaan of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2018:
a) het E-peil van elke nieuwe EPW-eenheid bedraagt niet meer dan E10;
b) voor het gebouw als geheel bedraagt het peil van de globale warmte-isolatie niet meer dan K25;
3° voor dossiers waarvan de melding wordt gedaan of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2021:
a) het E-peil van elke nieuwe EPW-eenheid bedraagt niet meer dan E0;
b) voor het gebouw als geheel bedraagt het peil van de globale warmte-isolatie niet meer dan K25.

9.1.32, §2. Elke gemeente die conform artikel 9.1.11/1 beslist om voor nieuwe wijken strengere eisen op te leggen, bezorgt het Vlaams Energieagentschap binnen de twintig dagen een kopie van het besluit van de gemeenteraad tot instelling van deze strengere eisen. Dat besluit van de gemeenteraad bevat minstens de volgende gegevens:

1° de geografische afbakening van de nieuwe wijk waarop de strengere eis van toepassing is;
2° de adres- en kadastrale gegevens van de gebouwen uit de nieuwe wijk waarop de strengere E-peil- en K-peileis van toepassing zijn;
3° de specifieke E-peileis die conform artikel 9.1.11/1 voor die wijk is opgelegd;
4° de specifieke K-peileis die conform artikel 9.1.11/1 voor die wijk is opgelegd.

Elke gemeente, vermeld in het eerste lid, bezorgt het Vlaams Energieagentschap elektronisch een overzicht van de dossiers waarvoor ze conform artikel 13.6.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 een administratieve geldboete heeft opgelegd. De minister kan nadere regels vastleggen voor de regelmaat waarmee dat overzicht wordt verstuurd, voor de inhoud ervan en voor de vorm waarin de gegevens uitgewisseld worden.

Als het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat de gemeente in strijd met artikel 13.6.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 de eisen die ze conform het eerste lid heeft vastgesteld, niet handhaaft, meldt het Vlaams Energieagentschap dat aan de minister. De minister kan vervolgens beslissen om voor die gemeente de bevoegdheid tot het vaststellen van eisen, vermeld in het eerste lid, in te trekken.”

De gemeenteraad kan reeds vandaag al beslissen om vanaf 2016 een dergelijk voorloperspad/verstrengingspad te implementeren. De gemeente dient echter bij het vaststellen van dit pad binnen de door de Vlaamse Regering vastgelegde contouren te blijven en dient op het vlak van de handhaving, ook de consequenties van die beleidskeuze onder ogen te zien.

De gemeente mag voor bouwaanvragen in nieuwe wijken in 2016 niet zelf een E-peil vastleggen, maar moet kiezen uit de door de wetgever voorziene pakketten. Voor bouwaanvragen in 2016 kan gekozen worden voor maximum E30 of voor maximum E20 en K25.

De gemeente heeft echter geen enkele bevoegdheid om voor dossiers waarbij de vergunning vóór 2016 werd aangevraagd in strengere EPB-eisen te voorzien.

Stelt een gemeente toch strengere eisen op vlak van energieprestatie voor bouwaanvragen vóór 2016 dan valt dit buiten het energierecht, maar enerzijds binnen het bestuursrecht, en anderzijds het RO-recht:

  • Wat het bestuursrecht betreft, kan tegen een dergelijke beslissing die een algemene verplichting instelt (bijv. een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening) een klacht worden neergelegd bij de toezichthoudende overheid (de gouverneur en het agentschap binnenlands bestuur), die tegen die beslissing kunnen optreden (schorsing en vernietiging);
  • Wat het RO-recht betreft, kan men conform de VCRO tegen een individuele stedenbouwkundige vergunning waarin dergelijke strengere eis wordt opgelegd in beroep gaan bij de bestendige deputatie.

****

In de memorie van toelichting (Parl. St. Vlaams Parlement (2010-2011) Stuk 1144/1, p. 11-15) bij het decreet van 18 november 2011 werd het decretaal kader nader verduidelijkt. Het relevante deel met de verduidelijkingen en randvoorwaarden vindt u hierna:

MEER LEZEN: memorie toelichting voorwaarden

“In de beleidsnota Energie 2009-2015 wordt gesteld: “Energiezuinig wonen biedt voordelen die steeds meer mensen overtuigen. We onderzoeken hoe lokale besturen de ruimte kunnen krijgen om daarop in te spelen en een vooruitstrevend beleid te voeren. Dat zou bijvoorbeeld kunnen gaan om het voorschrijven van strengere energiepeilen voor innovatieve bouwprojecten via een stedenbouwkundige verordening waarbij lokale overheden bijkomende eisen kunnen opleggen op vlak van energiebesparing en energierecuperatie. Op deze manier kunnen bij nieuwe verkavelingen innovatieve eco-wijken worden ontwikkeld.”

Het VVSG vroeg aan het VEA te onderzoeken of in de energieprestatieregelgeving de mogelijkheid kan worden voorzien om gemeenten de beleidsvrijheid te geven om gebiedsgericht of gemeentebreed meer vooruitstrevende E-peileisen toe te passen dan wettelijk verplicht. De vraag kadert in het engagement van bepaalde gemeenten die ambiëren om een CO2-vrije gemeente te realiseren, en in het onderschrijven door een aantal gemeenten van het Convenant van de burgemeesters met de Europese Commissie. Dat Convenant roept lokale besturen op om initiatieven te nemen om mee te werken aan het energiebeleid van de Europese Unie.

Vanuit juridisch oogpunt is het momenteel niet mogelijk om via een stedenbouwkundige verordening EPB-eisen op te leggen. Het is evenmin gewenst om de procedures en handhaving van ruimtelijke ordening toe te passen op strengere gemeentelijke EPB-eisen. De mogelijkheid dat gemeenten strengere EPB-eisen kunnen vastleggen, wordt daarom in de energieprestatieregelgeving voorzien.

De decreetgever heeft de bevoegdheid tot het bepalen van de EPB-eisen exclusief opgedragen aan de Vlaamse Regering. Artikel 11.1.1 van het Energiedecreet bepaalt imperatief dat de Vlaamse Regering de EPB-eisen bepaalt. De bevoegdheid tot het bepalen van de EPB-eisen is door het decreet dus exclusief toegewezen aan de Vlaamse Regering, en niet aan de provinciale of gemeentelijke overheden, reden waarom een gemeente onbevoegd is om bijv. in een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) andere EPB-eisen op te leggen dan deze die door de Vlaamse Regering in het besluit van 11 maart 2005 waren bepaald.

Het EPB-decreet heeft verder als lex specialis voorrang op het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO) dat als lex generalis geldt en ontneemt bijgevolg hoe dan ook de bevoegdheid van de provincie en de gemeente ter zake. Dit betekent dat de provincie of gemeente op grond van artikel 54 en 55 DRO in een stedenbouwkundige verordening geen EPB-eisen kan opleggen, zelfs al bepalen deze artikelen dat de verordening onder meer kan zorgen voor “de thermische en akoestische kwaliteit van de bouwwerken, de energiebesparingen en energieterugwinning”. Die artikelen dienden dan ook te worden gelezen als geen betrekking hebbende op de EPB-eisen.

Bovendien heeft een koppeling van de energieprestatieregelgeving aan de regelgeving ruimtelijke ordening als nadeel dat beide beleidsvelden een ander handhavingssysteem hanteren. Als het vastleggen van strengere EPB-eisen deel zou uitmaken van de gemeentelijke bevoegdheid via stedenbouwkundige verordeningen, dan zou dit de gemeenten er toe aanzetten om een berekening op te vragen bij de vergunningsaanvraag. Bij het niet voldoen aan de EPB-eisen zou dit aanleiding kunnen geven tot het niet vergunnen van de geplande werken. De praktijk wijst uit dat niet alle maatregelen die de energieprestatie beïnvloeden bij de vergunningsaanvraag gekend zijn en dat er tijdens de bouwwerkzaamheden nog veel aanpassingen gebeuren. De maatregelen op vlak van EPB-eisen bij de aanvraag van de bouwvergunning zouden dan meestal ook niet overeenstemmen met het uiteindelijke resultaat.

Daarnaast is de handhaving vanuit de regelgeving op de ruimtelijke ordening niet evident toepasbaar op het vlak van energie, namelijk wat betreft:

  • de herstelmaatregelen: het herstellen in de oorspronkelijke toestand, het betalen van de meerwaarde verworven door het misdrijf, het uitvoeren van aanpassingswerkzaamheden;
  • de procedures: opstellen van een proces-verbaal, schorsing van de werkzaamheden.

Bovenstaande zaken waren argumenten om bij de vervanging van de isolatieregelgeving door de energieprestatieregelgeving, de energieprestatieregelgeving los te koppelen van de regelgeving op de ruimtelijke ordening. Het is niet de bedoeling om opnieuw die weg in te slaan.

Het alternatief is om strengere EPB-eisen door de gemeenten mogelijk te maken binnen de energieprestatieregelgeving. Daartoe wordt voorgesteld artikel 11.1.1 aan te vullen met een nieuwe paragraaf 1/1 waarbij de gemeente de mogelijkheid wordt geboden om in het kader van het voorlopersbeleid, bedoeld in de richtlijn 2010/31/EU, onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering, voor nieuwe wijken strengere eisen vast te stellen.

Er wordt echter niet verkozen om de gemeente de volledige vrijheid te geven om zelf strengere EPB-eisen te stellen. Als de 308 Vlaamse gemeenten immers allen verschillende eisen zouden stellen, zou dat zorgen voor een onoverzichtelijk lappendeken aan verschillende eisen en een grote onduidelijkheid in de bouwsector. De vraag kan bovendien worden gesteld of er bij elke gemeente wel voldoende onderbouwde technische kennis aanwezig is om te oordelen welke verstrengde EPB-eisen haalbaar zijn en voor welke bestemmingen of aard van werken. Om de haalbaarheid van het verstrengen van eisen voor bepaalde bestemmingen op te stellen, voeren de gewesten in samenwerking met studiebureaus en onderwijsinstellingen uitgebreide studies uit. Als de gemeente de vrijheid heeft om zelf EPB-eisen te stellen, kan de vraag worden gesteld naar de economische en financiële haalbaarheid van verstrengde eisen op een moment waarop de markt daarvoor misschien nog niet klaar is. Als de gemeenten de strengere eisen gemeentebreed zouden kunnen opleggen, kan dat resulteren in een sociale ongelijkheid. Het zou voor bepaalde groepen van bouwheren onmogelijk worden om nog in een bepaalde gemeente te bouwen of te verbouwen indien de verstrengde E-peil-eis heel vooruitstrevend is zonder dat een extra financiële ondersteuning voorzien wordt.

Daarom wordt verkozen dat de Vlaamse Regering een standaardpakket voorstelt, waarbij de gemeente de mogelijkheid heeft om een volgende verstrenging (volgens het vastgelegde verstrengingspad van de Vlaamse Regering) al vroeger in gang te laten treden. De gemeente kan dan vervroegd voor bepaalde nieuwe wijken een volgende stap in de verlaging van de E-peileisen invoeren. Die nieuwe wijken kaderen dan in een voorlopersbeleid. De strengere eisen zullen dus niet kunnen worden opgelegd voor bestaande wijken of verkavelingen. Het werken met vooraf gedefinieerde strengere pakketten of met vaste vorken, biedt het voordeel dat de eisen die een gemeente oplegt al onderzocht zijn en dat de zones met strengere eisen dan als voorbeeld kunnen fungeren om na te gaan of de toekomstige eisen in realiteit wel haalbaar zijn. Doordat wordt bepaald dat de gemeente enkel binnen de door de Vlaamse Regering vastgestelde voorwaarden kan optreden, kan de Vlaamse Regering tevens expliciet als een voorwaarde stellen dat deze delegatie kan worden ongedaan gemaakt, mocht blijken dat deze voorwaarden door de gemeente niet worden gerespecteerd.

Het behoort conform artikel 42 en 43, §2 van het Gemeentedecreet tot de exclusieve bevoegdheid van de gemeenteraad om via een gemeentelijk reglement verplichtingen op te leggen aan haar rechtsonderhorigen betreffende materies van gemeentelijk belang. Indien de decreetgever de gemeenten een rol toebedeeld in het kader van het vaststellen van energieprestatie-eisen, dan dienen dergelijke beslissingen – het nemen van de beslissing, binnen het door de decreetgever en de Vlaamse Regering afgebakende kader, tot het invoeren van een dergelijke verstrengde eis en tot het afbakenen van het geografische gebied waarbinnen deze verstrengde eis zal gelden – te worden genomen via een dergelijk gemeentelijk reglement.

De reglementen en verordeningen van de gemeenteraad, het college van burgemeester en schepenen en van de burgemeester worden conform artikel 186 en 187 van het Gemeentedecreet door laatstgenoemde bekendgemaakt door middel van een aanplakbrief die het onderwerp van het reglement of de verordening vermeldt, de datum van de beslissing waarbij het reglement of de verordening werd aangenomen en, in voorkomend geval, de beslissing van de toezichthoudende overheid. De aanplakbrief wordt opgehangen op een aanplakbord aan het gemeentehuis en blijft minstens twintig dagen aangeplakt. De aanplakbrief vermeldt de plaats of plaatsen waar de tekst van het reglement of de verordening ter inzage ligt van het publiek. De reglementen en verordeningen, treden in werking de vijfde dag na de bekendmaking ervan, tenzij het anders bepaald is. De bekendmaking en de datum van bekendmaking van deze reglementen en verordeningen moeten blijken uit de aantekening in een speciaal register, dat bijgehouden wordt op de wijze, bepaald door de Vlaamse Regering.

Wat vaststellen van deze eisen en het geografisch gebied betreft, wordt dus gebruikt gemaakt van dezelfde techniek die geldt als bij het nemen van een gemeentelijke stedenbouwkundig reglement of een gemeentelijke verordening.

Voorgestelde regeling heeft geen Europeesrechtelijke of grondwettelijke bezwaren. De richtlijn 2010/31/EU laat toe dat de energieprestatie van gebouwen wordt berekend volgens een methodologie, die op nationaal en regionaal niveau mag worden gedifferentieerd. In casu wordt de gemeenten enkel de bevoegdheid gegeven om binnen een door de Vlaamse Regering op voorhand vastgelegd verstrengingspad een strengere eis op te leggen, maar wordt hen geen enkele bevoegdheid gegeven om de methodiek te bepalen die in dat kader moet worden gehanteerd. Het bepalen van deze methodiek is immers, conform artikel 11.1.5 van het Energiedecreet, enkel de bevoegdheid van de Vlaamse Regering. Niets in de richtlijn weerhoudt er de lidstaten dan ook van om in het kader van de subsidiariteit de bevoegdheid om deze eisen vast te stellen op gemeentelijk niveau te implementeren.

Voorgestelde regeling kadert dan ook in het engagement van bepaalde gemeenten die ambiëren om een CO2-vrije gemeente te realiseren, en in het onderschrijven door een aantal gemeenten van het Convenant van de burgemeesters met de Europese Commissie. Dat Convenant roept lokale besturen op om initiatieven te nemen om mee te werken aan het energiebeleid van de Europese Unie. Het standpunt van de Raad dat klimaatpolitiek doelstellingen nastreeft die het gemeentelijk niveau ver overstijgen wordt dus direct weerlegd door het feit dat de Europese Commissie via dit convenant juist expliciet de lokale overheden tracht in te schakelen en betrekken bij het klimaatbeleid. Het doel van dit convenant is immers het energiegebruik te beperken en efficiënter om te gaan met de beschikbare energie. Een concreet doel is de uitstoot van CO2 op hun grondgebied tegen het jaar 2030 met 20 procent terug te dringen. Zo wordt in de bijlage bij het convenant betreffende de rol van de lokale overheden bij de uitvoering van een duurzaam energiebeleid o.a. het volgende geponeerd: Lokale en regionale overheden spelen vaak een regelgevende rol, bijv. door energieprestatienormen vast te stellen of te bepalen dat in nieuwe gebouwen gebruik moet worden gemaakt van duurzame energiebronnen.” Het standpunt van de Raad van State lijkt dan ook niet te worden gedragen door de Europese Commissie en het Comité van de Regio’s.

Tot slot maakt een dergelijke regeling geen discriminatie uit. Zo antwoordde het Hof van Cassatie op het middel dat aanvoerde dat een gemeentelijk politiereglement een discriminatie creëert tussen inwoners van verschillende gemeenten dat “de beweerde ongelijkheid niet het gevolg is van het politiereglement zelf, maar van de toewijzing van bevoegdheden aan de gemeenten door artikel 135 N. Gem. W.” (Cass. 4 juni 1996, Arr. Cass. 1996, 536.) Een verschillende behandeling in aangelegenheden waar de gemeenten over eigen bevoegdheden beschikken is nu eenmaal een mogelijk gevolg van een verschillende beleidsuitvoering op grond van de autonomie die hun krachtens het decreet wordt toegekend. De voorgestelde regeling kan met dit artikel uit de Nieuwe Gemeentewet worden vergeleken. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had eerder reeds een gelijkaardig standpunt als dat van het Hof van Cassatie ingenomen (R.v.St. Rossel en Maes, nr. 45.858 van 28 januari 1994).

Verder kan ook worden verwezen naar de regelgeving ruimtelijke ordening waar de gemeenten van de decreetgever de bevoegdheid hebben gekregen om zelf ruimtelijke ordeningseisen vast te stellen, en om op bepaalde punten zelfs de door de Vlaamse Regering verleende vrijstellingen terug te draaien. Een dergelijke regeling wordt evenmin geacht strijdig te zijn met de regels van EU-recht en met de Grondwet.

Het feit dat de bevoegdheid van de gemeente beperkt wordt tot nieuwe verkavelingen, komt enerzijds voort uit de wens om de gemeenten de mogelijkheid te bieden in te tekenen op een voortrekkersbeleid, waarvan de contouren reeds expliciet door de Vlaamse Regering zullen zijn vastgesteld, en anderzijds om in het kader van de rechtszekerheid en de voorzienbaarheid te vermijden dat oude verkavelingen ook met dergelijke strengere eisen zouden te maken krijgen. Het onderscheid is dan ook objectief verantwoord.”

De verplichting tot sanctionering door de gemeenten die er voor kiezen om strengere EPB-eisen op te leggen, volgens de memorie (Parl. St. Vlaams Parlement (2010-2011) Stuk 1144/1, p29-30) kan u hier lezen:

MEER LEZEN: memorie toelichting sanctionering

Krachtens artikel 6, §1, VII, van de BWHI, zijn de gewesten bevoegd voor “het rationeel energiegebruik”. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van de regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de gemeenschappen en de gewesten overgedragen. De bevoegdheid van de gewestwetgever inzake rationeel energiegebruik houdt de bevoegdheid in om ervoor te kiezen om de bepalingen die hij aanneemt, gepaard te laten gaan met administratieve sancties of met strafrechtelijke sancties op grond van het artikel 11 BWHI, om ervan af te zien, om andere maatregelen te kiezen of om de lokale overheden ertoe te machtigen zelf administratieve sancties op te leggen.

Wanneer de gemeente overeenkomstig artikel 11.1.1, §1/1 bijkomend strengere eisen vastlegt met betrekking tot het E-peil en het K-peil, dan is het ook aangewezen dat deze strengere eisen door hen worden gehandhaafd. In deze wordt door het nieuwe artikel 13.6.1 voorzien in een gemeentelijke administratieve sanctie, los van degene bepaald in artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet.

Doorgaans zal een overtreding van de strengere gemeentelijke eis geen gevolgen hebben voor het halen van de gewestelijke basiseis. Samenhang tussen de gewestelijke sancties en de gemeentelijke sancties is uitzonderlijk echter mogelijk. Het is immers niet ondenkbaar dat een gebouw zowel de gewestelijke als de strengere gemeentelijke eis miskent. In dit geval kunnen beide sancties worden opgelegd.

Het non bis in idem-beginsel, zoals door het Europees Hof van de Rechten van de Mens te Straatsburg verduidelijkt in het arrest Zolotoukhine, verbiedt een persoon te vervolgen of te berechten voor een tweede “misdrijf” voor zover identieke feiten of feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn, eraan ten grondslag liggen. Volgens het Hof van Beroep te Antwerpen, gebaseerd op Zolotoukhine, verzet het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich niet tegen het naast elkaar bestaan van verschillende sanctiesystemen, maar vereist wel dat beiden niet cumulatief worden toegepast.

Ook in het milieuhandhavingsrecht (Titel XVI van het DABM) bestaat er reeds een dergelijk parallel handhavingsysteem voor bepaalde milieumisdrijven: wanneer het bevoegde parket des konings expliciet te kennen geeft niet te willen overgaan tot strafrechtelijke sanctionering, dan kan de “gewestelijke entiteit” nog steeds zelf overgaan tot administratieve handhaving door middel van de zogenaamde “alternatieve bestuurlijke geldboete”.

Om deze redenen blijft de gemeente, in het kader van de responsabilisering van de gemeenten ter zake, bevoegd tot sanctionering van de gemeentelijke eis (indien men als gemeente de beleidskeuze maakt om voor een strengere eis te kiezen, dan dient men ook de inhoudelijke consequenties daarvan te aanvaarden), maar voor die beperkte gevallen waar benevens een overtreding van de gemeentelijke eis ook een overtreding op de gewestelijke eis betreffende het E-peil of K-peil wordt vastgesteld, zal het de gemeente zijn die beide eisen zal dienen te sanctioneren.

Er wordt dan ook niet gekozen om, rekening houdend met Zolotoukhine, in een dergelijk geval de gewestelijke sanctie te laten vallen, daar dit een ongelijke behandeling zou inhouden voor die dossiers waar niet aan de gewestelijke eis voldaan is maar er geen gemeentelijke eis geldt en die dossiers waar zowel de gewestelijke en de gemeentelijke eis wordt miskend. Een dergelijke oplossing zou immers strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel (artikel 10 GW).

De gemeente heeft 12 maanden, volgende op de indiening van de EPB-aangifte, de tijd om tot sanctionering over te gaan. Bij stilzitten (contra legem) van de gemeente wordt echter voorzien dat deze sanctiebevoegdheid terugkeert naar het Vlaams Energieagentschap, dat gedurende de normale tijd (5 jaar vanaf indienen van de EPB-aangifte) alsnog tot sanctionering van beide eisen kan overgaan. In dat laatste geval verliest de gemeente wel het recht op de opbrengst uit die administratieve geldboete.

Tot slot kan de Vlaamse Regering de correcte toepassing van deze sanctie voor de gemeenten op grond van artikel 11.1.1, §1/1 als een voorwaarde opnemen voor het mogen stellen van een dergelijke gemeentelijke eis. Indien zou blijken dat dit niet wordt gerespecteerd, dan kan de Vlaamse Regering inherent in die voorwaarden bepalen dat aan de bevoegdheid van de gemeente ter zake een einde komt.

In dit kader is het dan ook belangrijk dat de gemeente onverwijld aan het Vlaams Energieagentschap meedeelt voor welke dossiers zij is overgegaan tot het vestigen van de administratieve sanctie, vermeld in het eerste lid en tweede lid. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de vorm, de inhoud en de wijze waarop deze gegevens worden medegedeeld.”

De EPB-man

EskDe EPB-man is een initiatief van studiebureau Esk en gaat dieper in op de vragen die rijzen bij de EPB-verslaggeving en bespreekt aandachtspunten die belangrijk zijn om te kunnen voldoen aan alle Vlaamse EPB-eisen.

Niet alle vragen die zich voordoen tijdens de EPB-verslaggeving zijn even eenvoudig te beantwoorden: Mag ik rekening houden met beplanting bij het inrekenen van de beschaduwing ? Welke U-waardes mag ik gebruiken indien de juiste waarde van het glas niet gekend is ? Wat als het raamkader is opgebouwd met verschillende types profielen ? Enz.

Op deze vragen probeert de EPB-man een duidelijk antwoord te geven.